ECB leent geld aan banken: Tijd gewonnen, maar geen duurzame oplossing
De Europese Centrale Bank (ECB) draait opnieuw de geldkraan open voor de banken. Wat wil ze bereiken? Wie profiteert van deze ‘vrijgevigheid’ van de ECB? Is dit een oplossing voor de economische crisis? Een antwoord in zes punten.
1. Hoeveel heeft de ECB aan de banken geleend?
Het gaat om enorme bedragen. De ECB leende niet minder dan 529,5 miljard euro aan 800 kredietinstellingen. In december 2011 had de ECB al 489 miljard euro geleend aan 523 banken. De ECB heeft dus, in enkele maanden tijd, meer dan 1.000 miljard euro overgedragen, aan uitzonderlijke voorwaarden: de banken moeten slechts 1% interest betalen gedurende drie jaar. Nu kunnen zij op hun beurt de verworven fondsen uitlenen aan particulieren, bedrijven of aan landen… aan 3, 4 of 5%.
De meeste banken delen niets mee over de leningen die zij aangaan. Dat is niet goed voor hun imago. Toch weten we dat KBC in december 3 miljard euro leende en nu 5 miljard. BNP Paribas leende 10 miljard euro in december en ongetwijfeld hebben ze nu hetzelfde bedrag geleend. Dexia Holding leende 10 miljard in december.
2. Is met deze operatie een kredietcrisis vermeden?
De rol van een commerciële bank is geldstortingen ontvangen en kredieten verstrekken. Elke dag moet de balans tussen beide verrichtingen in evenwicht zijn. Dat gebeurt echter zelden. Banken met een overschot op de balans lenen dan, via de interbancaire markt, geld uit aan banken die een verlies registreren.
Het probleem is nu dat banken geen geld meer willen lenen aan bedrijven die failliet zouden kunnen gaan. Zo ontstaat er wantrouwen tussen de bankiers onderling. De interbancaire markt sputtert. De ECB voert dus olie aan om de motor weer te doen draaien.
De grootste problemen schijnen zich te stellen bij de Zuid-Europese banken en bij banken in moeilijkheden zoals Dexia, Commerzbank… Voor de machtige banken stelt zich vrijwel geen probleem.
3. Kunnen bedrijven en overheden nu ook lenen aan lagere interestvoeten?
We weten niet wat de banken met het geld zullen doen. Momenteel lijkt het erop dat zij het geld bij de ECB zelf beleggen, maar aan een interestvoet van 0,25 %. De financiële instellingen zijn op zoek naar betere beleggingen: beleggingen met meer rendement en zo weinig mogelijk risico. Dankzij de operatie van december 2011 kochten meer investeerders staatsobligaties aan, wat een gunstige invloed had op de interestvoeten van Spanje en Italië. Zal het deze keer ook zo gaan? Wat de bedrijven betreft, het is weinig waarschijnlijk dat er meer zal geleend worden aan bedrijven aangezien er minder leningen aangevraagd worden. Er wordt dus niet aangemoedigd om opnieuw te investeren.
4. Is dit dan een gigantisch geschenk aan de banken en de aandeelhouders?
Ja, maar ze lopen ook een risico. Geld lenen aan Griekenland of Portugal is gevaarlijk. Er is immers een grote kans dat deze landen hun leningen niet kunnen terugbetalen. Het verschil tussen de interestvoeten van het ontvangen geld (aan 1%) en het uitgeleende geld (aan 5% of meer) levert de banken een mooie winst op. Maar de kans bestaat ook dat zij een groot deel van het uitgeleende geld verliezen… Vandaag stellen de banken zich veel vragen bij Spanje en Italië. Wacht deze landen hetzelfde lot als Griekenland?
5. Waarom leent de ECB niet rechtstreeks aan de staten?
De ECB kan dit volgens haar statuten niet doen. De Duitse regering wil in geen geval dat hieraan getornd wordt, want dit zou volgens haar alle vrijheid geven aan landen die te veel uitgeven (iets waarvan men Griekenland beschuldigt). Zo’n land zou immers eindeloos geld kunnen lenen en zo de inflatie doen stijgen.
Het is duidelijk een politieke kwestie, want zowel de Amerikaanse, de Britse als de Japanse centrale bank lenen wél geld aan de overheid.
6. Bieden deze leningen een structurele oplossing voor de crisis?
De maatregelen die de ECB genomen heeft, bieden een tijdelijke oplossing voor de liquiditeitsproblemen van de banken, maar in de grond verandert er niets. Ze betekenen vooral tijdwinst.
Vandaag moeten we gaan voor een Keynesiaanse oplossing: de vraag stimuleren – dus de koopkracht verhogen – en toespitsen op openbare investeringen aangezien de privé-investeringen slabakken. Deze politieke keuze kan betaalbaar gemaakt worden door een belasting te heffen op de grootste fortuinen (dit stond niet op de agenda van Keynes, maar heel wat Keynesianen zouden er vandaag voorstander van zijn).
Op langere termijn is dit echter onvoldoende. De economische crisis stelt het huidige systeem – het kapitalisme – ter discussie. De crisis toont aan dat het systeem niet werkt en dat we iets anders nodig hebben voor het welzijn van de mensen. Het grootste probleem is dat er altijd gezocht wordt naar meer winst en meer competitiviteit. Uiteindelijk wil de privésector de macht over de bedrijfswereld. Het alternatief is het socialisme dat gebaseerd is op collectief bezit.
Artikel overgenomen uit Solidair









