Omdat private banken niet altijd de belangen van de klant dienen wordt de waarheid met betrekking tot het product vaak geweld aangedaan.
Over de lonen van ‘topmanagers’ is al genoeg gezegd en geschreven. Zelfs na de crisis waarvoor zij een verpletterde verantwoordelijkheid dragen, bleven ze doorgaan met deze onterechte en onetische manier van verrijking.
Een openbare bank dient de belangen van de klant, van de overheid en van de werknemers te respecteren.
Een openbare bank kan een ethische voorbeeldfunctie vervullen. Er zijn verschillende aspecten aan de ethische rol van een openbare bank.
In de eerste plaats is er de laatste tijd veel te doen geweest rond het onethische karakter van de verloning van topmanagers van private banken (bonussen, gouden parachutes, extra pensioenstortingen, enz.). In april 2009 laat de Amerikaanse bankgigant Goldman Sachs weten dat het de helft van de verwachte kwartaalwinst 2Q 2009 van £ 1.200.000.000 zal reserveren voor bonussen. Ongeveer anderhalf miljard euro dus… In 2008, in volle crisis, werd aan 973 kaderleden van Goldman Sachs een individuele bonus van USD 1.000.000 of meer betaald. (37) Zelfs het gereputeerde zakenblad The Economist vindt dit alles “obsceen”, zeker gezien het feit dat Goldman Sachs vermoedelijk niet had kunnen overleven zonder overheidssteun, en omdat deze bonussen vooral worden gefinancierd vanuit commissies op het verhandelen van (overheids)obligaties. Of anders gezegd: nu de overheid kapitaal zoekt om haar tekorten te financieren die ontstaan zijn door het rechthouden van o.a. Goldman Sachs, verdient diezelfde bank geld aan het verhandelen van dit kapitaal…
Opnieuw zal het argument worden gebruikt dat zeer hoge verloningen nodig zijn om hoogwaardige managers aan te trekken. Het spreekt vanzelf dat het topmanagement van een overheidsbank naar behoren verloond dient te worden. Ook in een openbare bank brengt het management haar bijzondere financiële kennis, ervaring en capaciteiten in. Bovendien mogen de werknemers van een openbare bank worden gemotiveerd (ook financieel) om van hun bank een efficiënte, klantvriendelijke en rendabele onderneming te maken (zie ook het efficiëntie argument). Dat betekent echter niet dat de instelling mag worden gepluimd ten nadele van de klanten, de werknemers die niet tot het topkader behoren, en de gemeenschap – en met gevaar voor de stabiliteit van het financiële systeem. Enige nuancering in dit debat is dus aangewezen. Het kan niet de bedoeling zijn alle loonverschillen weg te werken, maar evenmin mag het argument van de zogenaamde ‘braindrain’ worden gebruikt om grove misbruiken te vergoelijken. Men kan zich trouwens afvragen of managers die enkel bereid zijn zich in te spannen voor het bedrijf in ruil voor een exorbitante vergoeding wel te vertrouwen zijn, en of zij wel de gezondheid van het bedrijf op lange termijn voor ogen hebben.
Verder zorgen private banken ervoor dat hun (vooral vermogende klanten) zo weinig mogelijk belastingen betalen. Hierbij begeven zij zich op de grens van het wettelijke – en soms erover, zie bijvoorbeeld de KB Lux affaire. Ook al houden zij zich formeel aan de wet, het is duidelijk dat banken hierbij ethische grenzen overschrijden. Het feit dat nagenoeg alle banken dochters of vestigingen hebben in landen als Luxemburg, Monaco, Zwitserland, en offshore gebieden als de Kanaaleilanden en Kaaimaneilanden is wat dit betreft veelzeggend. Ook valt het bijvoorbeeld op dat 20% van alle beurskapitaal in België (!) is ondergebracht in holdings, stichtingen en trusts. “De belangrijkste reden om zulke structuren op te zetten , is blijkbaar de splitsing van het eigendomsrecht van de aandelen en het stemrecht, waardoor ouders aandelen aan hun kinderen kunnen schenken – en dus erfenisrechten vermijden – zonder de controle op het bedrijf te verliezen”. (38)
Vaak spelen banken bij allerlei ethisch dubieuze constructies ter ‘fiscale optimalisatie’ een cruciale adviserende rol.
Niet alleen gaan de private banken hiermee in tegen het openbare belang (gerede inkomsten worden aan de gemeenschap onthouden), bovendien is er ook nog duidelijk sprake van discriminatie: bepaalde adviezen en constructies staan immers enkel open voor het private banking cliënteel, d.w.z. cliënteel dat over een vermogen bij de bank beschikt van 1.000.000 euro of meer.
Tenslotte hebben we reeds eerder (zie het service argument) geschreven dat de agressieve verkoopspolitiek van vele private banken tot gevolg heeft dat de zwakkere klant laat zich verleiden tot het kopen van onnutte producten, of tot het intekenen op beleggingen die hij niet begrijpt. Banken stimuleren het ‘leven op krediet’, wat de schuldgraad van de klant doet toenemen en gezinnen in financiële problemen kan brengen. Zelfs al begrijpt de klant een financieel product, toch heeft hij in vele gevallen geen duidelijk zicht op de kosten die ermee gepaard gaan. Transparantie is immers niet in het belang van de bank. Verder wordt de klant aangezet tot vaak onnodig switchen tussen producten. Elke in- en uitstap zorgt immers voor extra commissieloon.
Met andere woorden, private banken dienen niet altijd de belangen van de klant. De waarheid met betrekking tot het product wordt hierbij vaak geweld aangedaan.
Een openbare bank kan ervoor zorgen dat:
- (Top)management op een faire manier wordt verloond, zonder de belangen van andere stakeholders in gevaar te brengen;
- Alle klanten op principieel dezelfde manier worden behandeld en er niet langer fiscale constructies worden opgezet die tegen de belangen van de gemeenschap indruisen;
- Er een open en eerlijk beleid wordt gevoerd, met respect voor de belangen van klanten, werknemers en gemeenschap.
Wat dat betreft kan een openbare bank een belangrijke voorbeeldfunctie op de financiële markt vervullen.
Sommigen zullen misschien argumenteren dat een openbare bank niet nodig is opdat banken zich ethischer zouden gaan gedragen. Het volstaat dat banken een zogenaamd ‘corporate social responsibility’ charter ontwikkelen. Er zou wat dit betreft de laatste jaren al een belangrijke weg zijn afgelegd.
In dat verband is het interessant om weten wat bijvoorbeeld Robert Reich te zeggen heeft over de ‘corporate social responsibility’ in bedrijven. (Robert Reich is de vroegere Secretary of Labour onder president Clinton, en maakte deel uit van Barack Obama’s Economische Raad.) Zijn bedenkingen (39) laten zich als volgt samenvatten:
Een private onderneming heeft slechts één doel: het optimaliseren van de winst. Zij kan zich niet veroorloven rekening te houden met ethische gedragslijnen die haar concurrentiële positie zouden aantasten. Dat is nu eenmaal een gegeven van de vrije markt. De prioriteit van ethische consideraties zal steeds worden afgemeten aan haar enige doel: zoveel mogelijk winst maken. Met andere woorden, ethiek heeft in private ondernemingen een instrumentele en geen intrinsieke waarde. De realiteit is bijgevolg dat in de economie van vandaag sociale consideraties nauwelijks een rol spelen. Reich geeft voorbeelden van bedrijven die niet gestraft werden omwille van hun onethische gedrag, maar ook van bedrijven die door aandeelhouders niet beloond werden omwille van hun ethische normen. In 2004 maakten de zogenaamd ‘sociale fondsen’ slechts 0,3% procent uit van alle beleggingsfondsen in Europa. Het zal de (grote institutionele) belegger worst wezen of een fonds sociaal is of niet, zolang het maar goede winsten maakt. Het ene gaat echter vaak niet samen met het andere.
Dat betekent dat sociale charters vaak als windowdressing worden gebruikt. Enerzijds om jonge, getalenteerde, maar sociaal voelende werknemers gerust te stellen – en hen toe te laten in alle gemoedsrust geld te verdienen. Anderzijds ook om de aandacht af te leiden van de nood aan afdwingbare wetgeving en regulering op dit gebied.
Tenslotte mag men niet vergeten dat ‘corporate social responsibility’ charters door de bedrijven zelf worden geschreven. Bij hun totstandkoming ontbreekt elke vorm van democratische controle. Het is met andere woorden het management (en de aandeelhouders) van de bedrijven die zelf bepalen wat ethisch goed en slecht is. Als principes van maatschappelijk belang botsen, dan beslist het bedrijf eigenmachtig, zonder elke vorm van publieke discussie, welk principe uiteindelijk prevaleert.
Om al deze redenen is het naïef om alle heil te verwachten van ‘corporate social responsibility’ charters. De recente geschiedenis heeft aangetoond dat vormen van ‘zelfregulering’ geen effectieve vormen van regulering zijn. (JV-01/12/2009)
—–
Voetnoten:
37. Cijfers gemeld door de Britse krant The Guardian, en ook aangehaald in De Standaard van 23 juni 2009, p. E4.
38. Cijfers en citaat afkomstig uit De Standaard, “In de greep van holdings, stichtingen en trusts”, 29 juli 2009, p. E1.
39. R. REICH, Supercapitalism. The Battle for Democracy in an Age of Big Business, Icon Books Ltd., London, 2009, p. 169 ev.








